Scripties 'Psycho-oncologie'

De cursisten van de post-academische opleiding werken gedurende de opleiding aan een eindverhandeling.
Hier vind je een overzicht terug van de scripties:

Andries Jasmine (2007). De oudere kankerpatiënt en het slechtnieuwsgesprek in de palliatieve fase. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.  

Abstract: Het doel van onze studie was om na te gaan hoe de oudere kankerpatiënt het slechtnieuwsgesprek op emotioneel gebied beleeft en anderzijds welke situationele factoren een invloed kunnen hebben op hun ervaring.
Het onderzoek liep over een periode van 10 maanden waarin 30 palliatieve kankerpatiënten een zelf samengestelde vragenlijst (18 items) aangeboden kregen tijdens opname in het ziekenhuis. De gemiddelde leeftijd was 78.7 jaar (SD = 7.23) en 58% van de patiënten waren mannen.
Uit de resultaten blijkt dat de meeste patiënten opgelucht zijn dat ze zijn ingelicht (80%), dat er meestal (53.3%) niemand aanwezig was bij het gesprek en dat er nadien geen opvang was door een hulpverlener (76.7%) hoewel de patiënten hier wel behoefte aan hadden (55%). Er werd een trend gevonden tussen het al dan niet opgelucht zijn en de houding van de arts, aanwezigheid van anderen tijdens het gesprek, de tijd die de arts nam, het feit of de familie reeds voordien was ingelicht of niet en de behoefte aan opvang na het gesprek.
Oudere kankerpatiënten hechten veel belang aan het krijgen van informatie over hun gezondheidstoestand, de ondersteuning van familie tijdens en opvang van hulpverleners na het gesprek. Verder onderzoek is nodig bij een grotere onderzoeksgroep om trends verder te kunnen uitdiepen.

lees scriptie

Antonis Yasmine (2007). De spiegel en de lach: krachten in de palliatieve begeleiding van een narcistische man. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007. 

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking.

Baillon Catherine (2007). De bruikbaarheid van een nieuw screeningsinstrument 'distress-barometer' voor distress bij gelokaliseerde borstkankerpatiënten: pilot study. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007. 

Abstract: In 2006 werd in het UZ Brussel een screeningsinstrument 'Distress-barometer' ontwikkeld en gevalideerd, met als doel de communicatie over distress-beleving tussen arts en patiënt te stimuleren en te optimaliseren. In deze pilootstudie willen we de bruikbaarheid van dit screeningsinstrument onderzoeken en nagaan of het instrument gevoelig is voor de mate van distress, tijdens verschillende fasen in het ziekteproces, bij vrouwen met gelokaliseerde borstkanker.
Negentien vrouwen met gelokaliseerde borstkanker vulden de Distress-barometer in tijdens een aantal vooropgestelde kwetsbare momenten: check up (T1), post-operatie (T2), begin (T3) en einde van de radiotherapie (T4). We maakten gebruik van variantie-analyse met herhaalde metingen om de veranderingen in de mate van distress te evalueren.
De resultaten tonen aan dat distress-beleving en klachten significant veranderen over de tijd en dat we bijgevolg patronen kunnen terugvinden in de distress-beleving tijdens het ziekteproces. Onze pilootstudie wijst uit dat de mate van distress het hoogst is tijdens het eerste meetmoment, kort na het meedelen van de diagnose (check up). Er treedt een daling op van de distress-beleving en een vermindering van klachten vanaf het derde meetmoment (begin van de radiotherapie).
We kunnen besluiten dat de Distress-barometer een efficiënt screeningsinstrument is om distress-beleving te identificeren gedurende het ziekteproces bij vrouwen met gelokaliseerde borstkanker. De resultaten tonen aan dat bij het moment van de diagnose (check up) psycho-sociale begeleiding het meest aangewezen is. Systematisch en herhaaldelijk screenen van distress kan een hulpmiddel zijn om distress, gedurende gans het ziekteproces, te evalueren, de communicatie rond distress-beleving te optimaliseren en patiënten eventueel door te verwijzen naar psychosociale hulpverleners.

lees scriptie

Beckers Esther (2010).  Effectieve en ineffectieve coping bij kanker: casuïstiek. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking 

Bloeyaert Sarah (2012). Verkennend onderzoek naar psychosociale behoeften bij kankerpatiënten in AZ Sint-Augustinus Veurne. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Wanneer iemand geconfronteerd wordt met kanker, heeft dit een grote impact op de patiënt en zijn naasten. Naast het lichamelijke aspect wordt de laatste jaren ook meer aandacht besteed aan de psychosociale aspecten die bij kanker komen kijken. Het Oncologisch Support Team (OST) tracht in ons ziekenhuis sedert enige tijd te voorzien in deze psychosociale
behoeften die mogelijks kunnen bestaan bij kankerpatiënten. In de literatuur wordt veel onderzoek gedaan naar deze behoeften, vaak vanuit het oogpunt van de zorgverleners. Het doel van dit onderzoek bestond erin om, aan de hand van een vragenlijst, na te gaan welke behoeften kankerpatiënten ervaren en in welke mate het ziekenhuis momenteel tegemoetkomt
aan deze behoeften. Deze bevraging werd gedaan bij de patiënten zelf. Resultaten rond het bestaan van psychosociale behoeften wordt uitgebreid besproken. Op die manier werd onze huidige werking getoetst aan de ervaringen en verwachtingen van patiënten en werd gekeken hoe we de psychosociale zorg in ons ziekenhuis kunnen verbeteren.

lees scriptie

Bossant Els (2010). Begeleidingsbehoeften bij de partners van kankerpatiënten. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Abstract: In 2005 kregen 57185 mensen in België te horen dat ze kanker hadden. Maar kanker treft vaak niet één persoon alleen, ook de omgeving wordt sterk door de ziekte beïnvloed. In veel gevallen is dit in de eerste plaats de partner. Doelstelling van ons onderzoek was een beter zicht te krijgen op de begeleidingsbehoeften van de partners van kankerpatiënten en in welke mate deze voldaan worden binnen de huidige manier van werken in het Sint-Andriesziekenhuis in Tielt, met het oog op het verder verbeteren van de kwaliteit van onze begeleiding. Om dit na te gaan, ontwikkelden we een  vragenlijst waarbij partners 54 behoeften dienden te beoordelen op vlak van belang en mate van voldaan zijn. De behoeften situeerden zich over onderzoeksfase, diagnostische en behandelingsfase. Tussen juli en december 2009 namen 41 partners aan het onderzoek deel.Uit de resultaten blijkt dat partners inderdaad heel wat behoeften hebben op vlak van begeleiding. Voor meer dan 40% van de behoeften wordt een grote discrepantie vastgesteld tussen het ervaren belang en de mate van voldaan zijn. We pleiten dan ook voor een procedure waarbij partners standaard een begeleidingsaanbod krijgen, in de plaats van het initiatief voor een begeleidingsvraag bij de partner te laten. Voor alle onderzochte fasen blijkt de behoefte aan tips en steun rond de opvang van de patiënt en de kinderen belangrijker dan de nood aan steun voor zichzelf, al wint deze laatste aan belang in de latere fasen. Ondersteuning van de partner bij de zorg voor de patiënt en de kinderen lijkt ons dan ook een goede ingangspoort om later rond zijn of haar eigen emotionele noden te werken.

lees scriptie

Caes Line (2010). De reacties van ouders op de pijn van hun kind: een affectief-motivationele analyse. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Abstract: Kinderen met leukemie ervaren de lumbaal- en beenmergpuncties die men moet ondergaan vaak als pijnlijker dan de ziekte zelf. Deze procedurele pijn gaat ook vaak gepaard met negatieve emotionele en psychologische gevolgen. Tot op heden is er echter voorbijgegaan aan de vraag hoe ouders de pijn bij het kind ervaren en welke invloed dit heeft op hun gedrag. Aan de hand van een affectief-motivationele visie tracht deze studie hier een antwoord op te bieden. Deze visie stelt dat individuen die pijn als bedreigend percipiëren, meer vrees hebben voor pijn en gemotiveerd zijn om pijn te verminderen. Deze studie onderzocht of ouderlijk catastroferen over pijn van hun kind een invloed heeft op de ervaren “distress” bij ouders en op ouderlijke gedragingen gericht op de pijn bij het kind. Er werden 31 ouders van kinderen met leukemie op de afdeling Haemato-Oncologie in het UZ Gent gerekruteerd wanneer hun kind een punctie moest ondergaan. Aan de hand van zelfrapportage werd de mate van ouderlijk catastroferen over de pijn bij hun kind en de ervaren “distress” tijdens de punctie bevraagd. Ook werden de ouders gevraagd welke gedragingen ze zouden stellen indien ze bij de punctie aanwezig zouden zijn, opgedeeld in gedragingen gericht op pijnreductie, coping bevorderende gedragingen en ontmoedigende gedragingen. Onze hypothesen werden slechts gedeeltelijk bevestigd. De resultaten toonden aan dat ouders die catastroferen over de pijn van hun kind inderdaad meer distress ervaren tijdens puncties, maar er werden geen verbanden gevonden met ouderlijk gedrag. In de discussie worden mogelijke verklaringen voor de bekomen verbanden en hun implicaties voor de praktijk besproken.

lees scriptie

Casteels Barbara (2012). Effectmeting van een training voor hulpverleners omtrent communicatie over seksualiteit bij kankerpatiënten. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Inleiding: Uit onderzoek blijkt dat kanker (en de behandeling) ernstige gevolgen kan hebben op vlak van seksualiteit. Echter, het bespreekbaar maken van seksualiteit is zowel voor patiënten als hulpverleners niet vanzelfsprekend. Hulpverleners ervaren verschillende barrières om dit thema ter sprake ter brengen; één daarvan is een gebrek aan opleiding en vorming hieromtrent. De werkgroep 'Kanker en seksualiteit' van het UZ Gent heeft, om aan deze barrière tegemoet te komen, de training 'Kanker en seksualiteit, wij praten erover!' georganiseerd. Dit eindwerk heeft als doel om de effectiviteit van deze training na te gaan. Methode: De huidige studie bevat een kwantitatief en een kwalitatief onderzoeksluik. In het kwantitatieve luik worden kennis, vaardigheden en attitudes nagegaan vóór, onmiddellijk na en 3 maanden na het volgen van de training. Een aangepaste versie van de Nederlandstalige versie van de
Knowledge, Comfort, Approach and Attitude towards Sexuality Scale (KCAASS) werd bij 9 hulpverleners afgenomen op de 3 tijdstippen. Het kwalitatieve luik wil, via 2 focusgroepen, dieper ingaan op de impact van de training op het spreken over seksualiteit in de dagelijkse praktijk. Resultaten: De hulpverleners vertoonden een significante stijging op de 'kennis' en 'comfort' schaal van de KCAASS. Verder geven alle hulpverleners, via de focusgroepen, aan dat de training hen gesensibiliseerd heeft omtrent dit thema. De meerderheid gaat ook effectief aan de slag met het geleerde. Conclusie: De resultaten van de studie pleiten voor het verder aanbieden van de training voor hulpverleners omtrent communicatie over seksualiteit bij kankerpatiënten.

lees scriptie

Claes Sigrid (2010). Psychosociale ondersteuning van de oncologische patiënt na de diagnosemededeling. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Clemmen Eveline (2012). Beslissingen bij het levenseinde in het Universitair Ziekenhuis Brussel. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: De bedoeling van dit descriptief onderzoek is om bij elk overlijden in het Universitair Ziekenhuis Brussel in Jette - voor de periode van september 2011 tot en met november 2011 - na te gaan welke beslissingen er bij het levenseinde genomen zijn. Naast de incidentie worden demografische gegevens van de patiënt, karakteristieken van de behandelend arts en  kenmerken van het beslissingsproces bij het levenseinde mee in rekening gebracht. Door middel van de overlijdensakte wordt de behandelend arts gecontacteerd met de vraag om een gestandaardiseerd interview te laten afnemen.
Inclusiecriteria zijn dat het overlijden plaatsvindt binnen het UZ Brussel en dat de patiënt voor het overlijden door de arts gekend is. Exclusiecriteria zijn alle perinatale sterftes, alle gevallen waarbij de arts louter het overlijden vaststelt en interviews die later dan veertien dagen na het overlijden plaatsvonden.
Huidig onderzoek geeft aan dat beslissingen bij het levenseinde vaak voorkomen (tot 92.3 % bij verwachte overlijdens), maar meestal zonder medeweten en zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt gebeuren (met uitzondering van euthanasie). Overleg verloopt vooral alleen met de familie (50.5 %). Als voorlaatste beslissing bij het levenseinde komt het 'stoppen of niet meer opstarten van een medisch zinloos geworden behandeling' (51.9 %) vooral naar voor daar waar het 'aanpassen of opdrijven van de pijnstilling d.m.v. morfine of andere opioïden' (48.1 %) eerder de laatste beslissing bij het levenseinde is. Cijfers voor euthanasie (6.4 %) als laatste beslissing bij het levenseinde liggen een stuk hoger dan algemene populatiecijfers. Beslissingen bij het levenseinde worden ook vaker bij kankerpatiënten dan bij niet-kankerpatiënten genomen. Interdisciplinair overleg komt vooral met collega-artsen voor (84.6 %). Het Support Team wordt in geval van euthanasie qua overleg en inschakeling ter ondersteuning van patiënt en/of familie in het merendeel van de gevallen erbij geroepen. Voor andere beslissingen bij het levenseinde is dit een stuk minder. Overleg bij beslissingen bij het levenseinde wordt door vele artsen als niet evident beschouwd. Het belang van een opleiding communicatie omtrent beslissingen bij het levenseinde is dan ook niet te onderschatten!

lees scriptie

Cosyns Veerle (2007). De psychologische impact van werken op een kinderoncologische afdeling voor het psychopedagogisch team. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007. 

Abstract: In deze pilootstudie gaan we na of het ondersteunen van kinderen met kanker en hun gezin leidt tot het ontstaan van klachten bij het psycho-pedagogisch team. Meer dan 9O % van de populatie beantwoordde de vragenlijsten, waaronder 7 psychologen en 6 pedagogisch medewerkers (d.i. met inbegrip van 1 creatief therapeut). Aan de hand van drie vragenlijsten (GHQ-28, UBOS en ZIL) hebben we onderzocht in welke mate er psychische gezondheidsproblemen, burn-out en posttraumatische stress bij het psycho-pedagogisch team is. Naast een beschrijving van de frequentie en de intensiteit van de klachten, was het tevens ons opzet te onderzoeken of er een verschil was tussen de scores naargelang de functies.
De resultaten wijzen op psychische gezondheidsproblemen, burn-out en een zekere mate van indirect
trauma ten gevolge van het emotioneel ondersteunen van kinderoncologische patiënten en hun gezin. Vooral opvallend zijn de grote verschillen in frequentie en intensiteit van klachten naargelang de functie. Psychologen zijn in tegenstelling tot hun collega's pedagogische medewerkers veel kwetsbaarder om pathologie te ontwikkelen en dit vooral op vlak van emotionele uitputting, persoonlijke bekwaamheid en somatische problemen. De biografische- en werkgegevens kunnen deze verschillen niet verklaren. Bijgevolg beklemtonen we de noodzaak voor verder, meer diepgaand onderzoek. We hopen dat er dankzij deze studie een verhoogde waakzaamheid komt voor de psychologische impact die het werk heeft op het psycho-pedagogisch team wat op zijn beurt moet resulteren in oog voor preventie en, indien nodig, voor behandeling.

lees scriptie

Crokaert Helena (2012). Anticiperende rouw na de palliatieve boodschap. Een proces van gaandeweg afscheid nemen. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

geen toegang voor derden, casusbespreking

Decorte Lien (2012).Wanneer je man kiest voor euthanasie,en je zelf even helemaal overdonderd bent. Psychologische rouwbegeleiding na euthanasie. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

geen toegang voor derden, casusbespreking

De Decker Agnes (2010). De informatie- en communicatienoden van chemopatiënten en hun partner bij de start van de behandeling, UGent, 2010.

Abstract: Het is de bedoeling om de kwaliteit van de kankerzorg steeds verder te optimaliseren. Informatie en communicatie spelen in het geheel van deze zorg een cruciale rol. Meestal vult de zorgverstrekker in wat de nood is aan informatie en hoeveel informatie iemand nodig heeft op basis van psychologische theorieën. Toch is het interessant om zorg op maat te geven en daarom wil dit beperkte onderzoek nagaan welke informatie- en communicatiebehoeften de chemopatiënten formuleren. Ook willen we deze behoeften van de partner leren kennen.
Uit de schriftelijke bevraging van veertig chemopatiënten en negenentwintig partners bij het begin van de behandeling in het oncologisch daghospitaal van ons ziekenhuis blijkt dat de meesten liefst zoveel mogelijk informatie krijgen over hun ziekte en behandeling, zowel positief als negatief. Sommigen wensen deze informatie wel gedoseerd te krijgen. De tevredenheid over de communicatie van de verpleegkundige is groot. Aan informatie is er meer nood, vooral over de prognose. Patiënten wensen tevens meer informatie over de chemobehandeling en net zoals de partners ook over de
omgang met bijwerkingen en andere gevolgen op het dagelijks leven. Bij partners is er een invloed van leeftijd, geslacht en opleidingsniveau op hun informatienood en op het belang van de informatie. Partners geven ook heel wat angst aan. Bij patiënten kleurt de curatieve of palliatieve behandelingsfase de aard van de gewenste informatie.
Aan de verpleegkundigen wordt gevraagd om een inschatting te maken van de nood aan informatie en aan geruststelling bij de patiënt en bij de partner. Toch blijkt deze weinig overeen te komen met de inschatting die de patiënten en de partners voor zichzelf maken.
Uit al deze bevindingen wordt ook geprobeerd om een aantal conclusies te trekken met enerzijds werkpunten voor verdere verbetering van de oncologische zorg in ons ziekenhuis. Anderzijds volgt er ook een aanbeveling voor het ontwikkelen van een concrete vragenlijst om ons informatie- en communicatieaanbod beter te kunnen afstemmen op de noden van de individuele patiënt en zijn partner.

lees scriptie

Dejonckheere Charlotte (2012). Welke invloed heeft copingstijl op de informatietevredenheid, levenskwaliteit, het functioneren en psychische ontreddering bij oncolologische patiënten en hun naasten? Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Deze studie had tot doel de zorg voor de oncologische patiënten binnen ons ziekenhuis te optimaliseren. De literatuur toont aan dat de manier waarop informatie wordt verstrekt aan de patiënt en zijn/haar naasten bij het geven van psychosociale zorg een belangrijke rol speelt. Het bleek echter dat niet enkel communicatievaardigheden belangrijk zijn, maar dat ook persoonsgebonden factoren een rol spelen. In ons onderzoek spitsten wij ons hierop verder toe en gingen wij na of de copingstijl verband houdt met tevredenheid van communicatie, levenskwaliteit, het functioneren, vermoeidheid, angst en depressie. We vonden evidentie dat de cognitieve copingstijlen 'monitoring' en 'blunting' als twee onafhankelijke constructen dienen bekeken te worden waarbij 'monitoring' de neiging voor het zoeken van informatie voorstelt, terwijl 'blunting' de neiging het zoeken van afleiding representeert. De resultaten toonden aan dat patiënten met een hoge 'blunting' score, en die dus actiever op zoek gaan naar afleiding, minder angst- en depressieklachten aangeven en meer tevreden zijn met de communicatie. We vonden echter geen verbanden terug met levenskwaliteit, vermoeidheid en het functioneren. De score op 'monitoring' bleek met geen van de andere scores gerelateerd. Ook kwam naar voor dat hoe jonger de patiënt is, hoe meer monitoringgedrag gesteld wordt. De 'blunting' score hing niet af van de leeftijd van de patiënt. Bij de vergelijking van palliatieve met curatieve patiënten vonden we geen verschil in copingstijl of tevredenheid van communicatie terug. Wel zijn palliatieve patiënten meer vermoeid, functioneren zij minder op fysisch vlak en rol en scoren zij hoger op depressie, maar toch geven zij geen verschil aan in hun levenskwaliteit. Uit ons onderzoek kunnen wij besluiten dat een goede zorgverlening oog moet hebben voor de specifieke noden van elke patiënt en zijn naasten en dat we als psycholoog een belangrijke rol kunnen spelen in het inschatten van die noden.

lees scriptie

Dehandschutter Sara (2012).Hoe beïnvloedt de kennis van het ziekteverloop het psychisch welzijn van een hervallen kankerpatiënt? Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Wanneer een kankerpatiënt hervalt, kampt deze met de vraag hoe zijn ziekte verder zal verlopen. In sommige gevallen wil deze patiënt het ziekteverloop kennen, in andere gevallen niet. Toch is er vanuit de literatuur een consensus dat het belangrijk is voor het psychisch welzijn van de patiënt dat de arts een gesprek heeft rond het ziekteverloop van de patiënt. Dit zou depressie en- angstklachten verlagen.
Als doel van dit onderzoek wordt dieper ingegaan op de invloed van kennis van het ziekteverloop op het psychisch welzijn en coping van de patiënt.
Op het oncologisch dagziekenhuis van het Sint-Franciskusziekenhuis te Heusden-Zolder werden 10 proefpersonen gerekruteerd die een vragenlijst werd voorgelegd na het slechtnieuwsgesprek nieuwsgesprek met de arts. Deze vragenlijsten maten angst, depressie, soorten coping-stijlen en verwerking van een schokkende gebeurtenis: namelijk het herval van kanker. Eén week nadien werd een interview afgenomen. Tevens werd de arts bevraagd naar de correctheid van de reeds gegeven informatie van de patiënt rond het ziekteverloop. Op deze manier probeerden we meer zicht te krijgen op de psychologische impact van de kennis van het ziekteverloop voor de patiënt en zochten we welke processen dit beïnvloedden.
Uit de resultaten kwam naar voor dat de groep patiënten die hun ziekteverloop kenden op alle parameters (psychisch welbevinden, coping en de verwerking van een schokkende gebeurtenis: namelijk het herval van kanker) hoger scoorden. Toch was er geen significant verschil tussen de groep patiënten die wel hun ziekteverloop kenden en de patiënten die het ziekteverloop niet kenden. Dit zou verklaard kunnen worden door bevorderende en storende processen die er zijn bij communicatie rond het ziekteverloop.
In de discussie worden mogelijke verklaringen voor de resultaten en hun implicaties voor de praktijk belicht.

lees scriptie

De Loore Ellen (2012). Evaluatie van een psycho-educatief groepsprogramma als onderdeel van tertiaire preventie. Richtlijnen destilleren voor een groepsaanbod op maat van de oncologische patiënt. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract:Naast de primaire en secundaire preventie merken we dat er een grote weg is vrijgemaakt voor de tertiaire preventie, dankzij de betere overlevingskansen voor de oncologische patiëntenpopulatie. Patiënten hebben lange tijd na de behandelingen nog fysieke en psychische restklachten die hun levenskwaliteit aantasten. Het is net op dat punt dat psychosociale interventies zich kunnen enten. Het aanbieden van een gestructureerd groepsprogramma kan zorgen voor een verbetering van de levenskwaliteit en de barrières wegnemen voor patiënten om te bewegen. Met dit eindwerk wensen we na te gaan uit welke elementen een groepsaanbod, op maat van de oncologische patiënten, kan bestaan. Daarnaast de onderzoeksvraag of deelnemers aan het voorbije groepsaanbod ook op langere termijn fysiek actief blijven en welke attributies ze hierbij hebben. Methode: Door middel van een literatuuronderzoek en een prospectieve vragenlijststudie
werden deelnemers van het voorbije groepsaanbod aangeschreven. Een totaal van 50 respondenten vulden de HADS, EORTC en een vragenlijst in die peilde naar fysieke activiteit en attributies. Resultaten: Van de 50 respondenten sporten nog 46 deelnemers. Bij de revalidatiegroep geeft 70% aan van meer te sporten na het revalidatieprogramma; 16 % zegt evenveel te sporten en 10% geeft aan van minder te sporten. Ongeacht voorafgaande sportervaring sporten deelnemers na het programma verder en merken we geen significant verschil tussen de eerste en recente groepen. Bespreking: Deelnemers van het groepsaanbod blijven op lange termijn fysiek actief met een gemiddelde van 4.6u sport/week. Hiermee halen de deelnemers een duidelijk gezondheidsvoordeel wat maakt dat het psycho-educatief groepsaanbod past binnen een tertiair preventieplan. Sociale steun, al dan niet onder de vorm van lotgenotencontact, komt naast het belang voor de eigen fysieke en psychische gezondheid, als voornaamste attributie naar voor om te blijven sporten. Een ideaal groepsaanbod voor oncologiepatiënten bestaat allicht niet, maar wanneer we een heterogeen groepsaanbod aanbieden met een gestructureerd karakter, waarbij de klemtoon ligt op lotgenotencontact, sociale steun, informatie, eigen-effectiviteit en aandacht voor naasten komen we mogelijks in de buurt.

lees scriptie

De Paepe Ine (2012). Coping bij kinderen en hun ouders van allochtone afkomst op de afdeling kinderoncologie. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

De Vaere Lieselot (2012). De impact van familiaal functioneren en mentale veerkracht op kwaliteit van leven bij kanker. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Kanker is een ingrijpende gebeurtenis met invloed op de kwaliteit van leven van patiënt en familie. Binnen deze scriptie hadden wij vooral interesse voor de impact van mentale veerkracht (individueel kenmerk) en familiaal functioneren (gezinskenmerk) op kwaliteit van leven. We vergeleken de gezinsleden op vlak van mentale veerkracht, familiaal functioneren en kwaliteit van leven. Verder onderzochten we de onderlinge samenhang van deze constructen voor de ganse steekproef en voor de aparte gezinsleden. Er werkten tien gezinnen mee aan deze exploratieve studie waaronder tien patiënten, negen partners en achttien kinderen. Via een vragenlijstbundel werd mentale veerkracht (Resilience Scale-NL), familiaal functioneren (Gezinsklimaatschaal) en kwaliteit van leven (RAND-36) bevraagd.
Uit onze studie bleek dat de leden van een gezin op eenzelfde manier de confrontatie met kanker beleven met uitzondering van fysiek functioneren. Kwaliteit van leven bij de totale steekproef hing sterker samen met mentale veerkracht dan met familiaal functioneren wat zijn implicaties zal hebben voor de klinische praktijk. Naargelang het gezinslid varieerde de relatie met kwaliteit van leven. De patiëntengroep rapporteerde een samenhang met een gezinskenmerk, de partnergroep met mentale veerkracht en de kinderen gaven een samenhang met mentale veerkracht en gezinskenmerk weer. Therapeutische interventies zullen zich dan ook moeten richten op andere aspecten afhankelijk van patiënt, partner of kinderen. De verwachte samenhang tussen mentale veerkracht en familiaal functioneren kon niet hard worden gemaakt.

lees scriptie

De Vuyst Karen (2007). Coping na behandeling voor borstkanker. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007. 

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking.

De Wagter Katrien (2010). Sociale steun en fysieke bijwerkingen bij vrouwen ten gevolge van chemotherapie. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Abstract: De nevenwerkingen ten gevolge van chemotherapie, wegen vaak zwaar door. Uit de literatuur blijkt dat de impact van de nevenwerkingen de levenskwaliteit doet dalen en zelfs kan leiden tot therapieontrouw (Newell et Al, 1998). Chemogerelateerde misselijkheid wordt veelvuldig gerapporteerd ondanks het wijdverspreid gebruik van anti-emetica (Morrow at Al, 1998). Daar therapie-ontrouw heel wat negatieve gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn prognose, lijkt het opportuun om interventies die de impact van de nevenwerkingen kunnen verlichten, aan te bieden tijdens de behandeling. Kim en Morrow (2007) vermelden immers in hun studie dat non-farmacologische of psychologische
methoden om de symptomen te verlichten, effectief kunnen zijn. In de praktijk echter valt het op dat er op bepaalde momenten tijdens de chemotherapie géén of veel minder last van de nevenwerkingen, wordt gerapporteerd. Dit in tegenstelling met het feit dat het gaat over dezelfde persoon, hetzelfde product, hetzelfde gebruik van anti-emetica, hetzelfde tijdstip na toediening, enzovoort. Aangezien de impact van de nevenwerkingen negatieve gevolgen kan hebben en aangezien er een grote variabiliteit blijkt in de rapportage van de nevenwerkingen over de hele periode van de
chemotherapie, kan de invloed van psychosociale factoren niet uitgesloten worden. In dit onderzoek worden psychosociale factoren onderzocht. Sociale steun werd geïdentificeerd vanuit de literatuur en vanuit klinische ervaringen. Sociale steun blijkt immers een positieve invloed te hebben op therapietrouw en op de impact van lichamelijke symptomen. De dataverzameling verliep stroef waardoor weinig bruikbare data werd vergaard in de loop van het onderzoek. Bijgevolg dienen de resultaten met voorzichtigheid benaderd te worden. Verder onderzoek is nodig om een duidelijk beeld te scheppen van de invloed van sociale steun op de impact van de gerapporteerde nevenwerkingen over de hele periode van de chemotherapie. We beschouwen deze poging tot onderzoek als bijzonder leerrijk voor onze persoonlijke ontwikkeling. Naar de praktijk toe nemen we mee dat het betrekken van onze patiënten in onderzoek een brug kan zijn om in contact te komen met bepaalde patiëntengroepen die we anders moeilijker kunnen bereiken.

lees scriptie

De Witte Charlotte (2012).Onderzoek naar het doorverwijzingsgedrag van zorgverleners naar een oncopsycholoog in het AZ Sint-Lucas Gent. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Uit diverse onderzoeken blijkt dat kankerpatiënten naast de behoefte aan medische zorg, ook allerhande psychosociale noden hebben. Psychosociale interventies bij kankerpatiënten worden steeds meer erkend een positieve impact te hebben op de levenskwaliteit van de patiënt. In het AZ Sint-Lucas is men volop bezig met het verder uitbouwen en uitbreiden van psychosociale ondersteuning voor kankerpatiënten en hun naasten. De oncopsycholoog bevindt zich in de tweede lijn en deze doorverwijzing verloopt tot op heden niet gestructureerd. Het onderzoek heeft tot doel meer zicht te krijgen op het doorverwijzingsgedrag van zorgverleners naar een oncopsycholoog binnen ons ziekenhuis. Meer specifiek willen we nagaan in welke mate en op basis van welke criteria/motivaties zorgverleners een oncopsycholoog inschakelen. Hiernaast willen we ook nagaan of er eventueel nog knelpunten/drempels spelen die het inschakelen van een oncopsycholoog (kunnen) bemoeilijken. In het kader van ons onderzoek werd een (zelf opgestelde) vragenlijst afgenomen bij artsen en (begeleidings)verpleegkundigen die doorheen de verschillende fasen van het ziekteproces en behandelingstraject in het AZ Sint-Lucas de basiszorg van oncologische patiënten opnemen. Uit de resultaten blijkt dat zorgverleners over het algemeen vrij frequent (soms tot vaak) doorverwijzen naar een oncopsycholoog. Zorgverleners verwijzen het vaakst en het meest éénduidig bij een moeilijke verwerking, in crisissituaties, bij psychische en emotionele reacties/problemen, en bij een slechte(re) prognose. Bovendien geeft ongeveer de helft van de zorgverleners aan niet enkel op basis van expliciete noden te verwijzen, maar ook een aantal risicofactoren voor psychosociale problemen in rekening te brengen. Verder stelden we vast dat zorgverleners over het algemeen weinig (overtuigende) drempels ervaren in het doorverwijzen van patiënten naar een oncopsycholoog. Gebaseerd op de onderzoeksresultaten worden een aantal praktische handvaten en adviezen geformuleerd om de doorverwijzing naar een oncopsycholoog te optimaliseren.

lees scriptie

Deferm Dirk (2007). Het verwerken van de palliatiave boodschap: apart en/of samen. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.  

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking.

Deturck Lore (2012). Begeleiding van een euthanasievraag bij een palliatieve patiënte met hersenmetastasen. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking

Devriese Eline (2012). Het proces tot een borstreconstructie retrospectief in kaart gebracht Inventarisatie van het proces en de rol van procesfactoren in de huidige lichaamsbeleving en levenskwaliteit. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

voor meer info, neem contact op met Mevr. Devriese

Gielen An (2007). Behoeftenbevraging bij oncologische patiënten in het kader van het opstarten van een oncologisch revalidatieproject. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.

Abstract: de moderne behandelingen hebben van vele kankers een chronische ziekte gemaakt. Een groot aantal (ex-) kankerpatiënten vertoont zowel op hun werk als tijdens hun dagelijkse activiteiten en vrije tijd belangrijke functiestoornissen waardoor hun levenskwaliteit afneemt. Recent onderzoek toont aan dat een revalidatieprogramma met daarin een belangrijk aandeel aan fysieke activiteit een positief effect heeft op het fysisch en psychisch welzijn van kankerpatiënten.
Door middel van een vragenlijstonderzoek werden de revalidatiebehoeften van oncologische patiënten onderzocht. Ruim tweederde van de ondervraagde patiënten gaf aan geïnteresseerd te zijn om zelf een oncologisch revalidatieprogramma te volgen. We kwamen tot de vaststelling dat het merendeel van de patiënten een oefenfrequentie van één à twee maal per week als haalbaar beschouwt.
Een dergelijke revalidatie omvat idealiter vier gebieden: een fysiek revalidatieprogramma, wellness-activiteiten, psychosociale hulpverlening en lotgenotencontact. In het onderzoek werd duidelijk hoe de patiënten deze aspecten concreet ingevuld willen zien.

lees scriptie

Goormachtigh Katelijne (2007). Oncologische revalidatie in AZ Damiaan: een opstap naar een betere kwaliteit van leven na kanker. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.

Abstract: De draad van het vertrouwde leven weer opnemen na de diagnose kanker en de hiervoor noodzakelijke behandelingen, blijkt niet zo evident te zijn. Sinds enkele jaren tracht men door middel van oncologische revalidatie de kwaliteit van het leven na kanker te verbeteren. Hiertoe wordt een groepsprogramma met een fysieke en een psychosociale component aangeboden.
Drie jaar na het opstarten van een oncologisch revalidatieprogramma in AZ Damiaan te Oostende maken we de balans op met betrekking tot effectiviteit van verandering en tevredenheid met het programma. Zowel op vlak van vermoeidheid als op vlak van kwaliteit van leven is een positief effect zichtbaar. Eveneens blijkt er een positieve evolutie te zijn bij enkele fysieke parameters, alsook in de subjectieve beleving van de deelnemers. De kwalitatieve tevredenheidsbeoordeling is bijzonder goed. Slechts enkele persoonlijke kenmerken hadden een effect op sommige onderdelen van de resultaten. Dit zijn goede aanwijzingen dat het oncologisch revalidatieprogramma een zinvol aanbod is in het oncologisch zorgtraject.

lees scriptie

Goossens Sara (2007). Psychologische distress en kwaliteit van het leven bij autologe stamceltransplantatie. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.

Abstract: hoge dosis chemotherapie in combinatie met autologe stamceltransplantatie is een frequent gebruikte behandeling bij maligne hematologische aandoeningen. Deze intensieve therapie is geassocieerd met een belangrijke impact op verschillende gebieden van functioneren. Dit onderzoek heeft tot doel de kwaliteit van leven en ervaren psychologische distress tijdens en kort na de transplantatie in kaart te brengen, alsook mogelijke onderlinge relaties na te gaan. Er werd een prospectief onderzoek met herhaalde meting uitgevoerd, met een beschrijvend en correlationeel onderzoeksopzet. Uit de resultaten blijkt dat psychologische distress in sterke mate voorkomt bij deze populatie, met gecombineerde prevalenties van angst en depressie over de verschillende meetmomenten van 38% tot 55%. Kwaliteit van leven is significant verminderd na de stamcelinfusie. De belasting is een maand na opname voor transplantatie genormaliseerd tot het functioneren kort voor de transplantatie, met uitzondering van vermoeidheid, verminderde eetlust en rolfunctioneren. Kwaliteit van leven een maand na de opname voor transplantatie wordt voorspeld door de depressiescore bij opname voor transplantatie, onafhankelijk van depressiescores tijdens de opname. Deze resultaten bevestigen de aanwezigheid van hoge niveaus van distress en een ernstige impact op kwaliteit van leven tijdens de transplantatieperiode, en bieden aanknopingspunten ter optimalisering van de ondersteuning voor deze patiëntengroep.

lees scriptie

Gryspeerdt Vanessa (2007). Vroege detectie van depressie bij borstkankerpatiënten: een standaardprocedure voor implementatie in de borstkliniek. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.

Abstract: wanneer patiënten geconfronteerd worden met de diagnose van borstkanker, is dit een gebeurtenis die stress met zich meebrengt. De mate van de ervaren stress beïnvloedt de manier waarop patiënten met de ziekte omgaan en kan tot aanpassingsstoornissen leiden. Uit literatuurstudie is gebleken dat de prevalentie van depressie bij kankerpatiënten 10 à 30 % is, maar vaak nog een weinig gekend probleem is binnen de oncologie. Ook vrouwen met de diagnose borstkanker, lopen een zeker risico om angst of depressie te ontwikkelen. Uit onderzoek is gebleken dat er, in de toekomst, verdere aandacht nodig is om tot een vroege detectie van depressie bij borstkankerpatiënten te komen. Op die manier kunnen symptomen vlugger herkend worden zodat een meer optimale begeleiding kan uitgewerkt worden. Het doel van dit eindwerk is om via een pilootstudie, een eerste verkenning op te zetten om een werkmethode op te stellen en uit te testen in de praktijk van de borstkliniek. Het is de bedoeling om zo tot een werkbare standaardprocedure te komen die door de oncoloog, gynaecoloog, borstverpleegkundigen en psycholoog van de borstkliniek gehanteerd kan worden. Op die manier moet een vroege detectie van depressie mogelijk worden zodat de verdere begeleiding van de borstpatiënten hier kan op afgestemd worden. De pilootstudie werd opgezet binnen de praktijk van de borstkliniek in het AZ Sint-Lucas waar patiënten met invasieve borstkanker (eventueel ook met meta's). Een eerste screening gebeurde bij de patiënten op de dag van de 'staging'. Dit gebeurt binnen de week na diagnose. Hierbij werd gebruik gemaakt van gestandaardiseerde vragenlijsten en een gestructureerde bevraging naar de voorgeschiedenis van de patiënt. Na 6 maand gebeurde een eerste followup en werden de gegevens verzameld op een psychologisch blad en bij het verpleegkundig dossier gevoegd. Bij de follow-up werd ook een evaluatie gemaakt door de patiënten en door het begeleidend team van de borstkliniek. Resultaten werden vooral kwalitatief verwerkt omdat we ons vooral willen focussen op wat we uit de uitgeteste procedure kunnen leren voor de toekomst. De evaluatie van deze procedure die zowel bij patiënten als bij het team van de borstkliniek werd afgenomen, is dan ook een belangrijke leidraad om conclusies te trekken uit dit onderzoek.
Conclusie is eerst en vooral dat het inbouwen van een standaardprocedure om te screenen naar depressie in de praktijk werkbaar is en naar de toekomst toe ingebouwd kan worden. Een aantal praktische aanpassingen zijn nodig maar de voorgestelde vragenlijst kan een aantal risicofactoren detecteren waardoor de geschikte begeleiding kan gegeven worden. De meerwaarde van het verzamelen van een aantal psychologische gegevens wordt ook door het medisch team bevestigd. Vooral de communicatie tussen arts, verpleegkundigen en psycholoog die door de screening mogelijk wordt, is een belangrijke troef naar de toekomst toe.

lees scriptie

Haesebroek Leen (2007). Optimalisering van de psychosociale zorgverlening voor kankerpatiënten doorheen de verschillende ziektefasen in AZ Nikolaas. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.

Abstract: in de toekomstplannen van het nieuwe fusieziekenhuis AZ Nikolaas staat de oprichting van een oncologisch centrum. Het doel van dit eindwerk is een aanzet te geven voor het op punt stellen van de psychosociale zorgverlening in het oncologisch centrum vertrekkende van de waarneming van de noden bij kankerpatiënten en het bestaande aanbod van de verschillende zorgverstrekkers. Als vertrekpunt werd een verkennend onderzoek gedaan bij artsen en verpleegkundigen over de psychosociale noden die zij vaststellen bij kankerpatiënten en wat zij ervaren als sterktes en zwaktes in de bestaande psychosociale zorg. Gebaseerd op de onderzoeksresultaten worden aanbevelingen gedaan om de organisatie van de psychosociale zorg voor kankerpatiënten te optimaliseren in AZ Nikolaas.

lees scriptie

Hauspie Sara (2012). Angst voor herval na borstkankerbehandeling. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Steeds meer vrouwen overleven borstkanker. Dit betekent dat er steeds meer vrouwen geconfronteerd worden met de uitdagingen van het overleven van kanker, zoals het omgaan met angst voor herval. Deze studie had tot doel de prevalentie van angst voor herval bij patiënten die curatieve borstkankerbehandeling ondergingen in AZ Maria Middelares na te gaan, alsook het verband tussen angst voor herval en distress en een aantal demografische en ziekte-gebonden variabelen. Daarnaast wilden wij de statistische kwaliteiten van de Concerns About Recurrence Scale - Dutch Language Version (CARS-DLV) onderzoeken voor een Vlaamse doelgroep. 159 patiënten vulden de CARS-DLV en de Distress-Barometer in. We bevroegen deze patiënten rond een aantal persoonlijke en ziekte-gebonden gegevens, en koppelden dit aan de gegevens beschikbaar via de registratie van de Multidisciplinaire Oncologische Consulten. De resultaten tonen dat 14,5% van de deelnemers hoge angst voor herval rapporteren, en 61,8% matige angst voor herval. Wij constateren een matig tot hoog verband tussen angst voor herval en distress. Behalve een negatieve correlatie met leeftijd, vinden wij geen significante verbanden tussen angst voor herval en demografische en ziekte-gebonden variabelen. De interne consistentie van de CARS-DLV is hoog. We besluiten dat angst voor herval na borstkankerbehandeling een thema is dat klinische aandacht verdient, gezien de hoge prevalentie en de samenhang met distress. Er is nood aan een ruimer zorgplan om patiënten na kankerbehandeling zowel medisch (o.a. informatie rond
nevenwerkingen antihormonale therapie) als psychosociaal op te volgen. Detectie van hoge mate van angst voor herval kan hierbij een eerste belangrijke stap zijn. Meer onderzoek is aangewezen zodat interventies ontwikkeld kunnen worden om patiënten verder te ondersteunen. 

lees scriptie

Ide Ann (2012). Welke invloed heeft copingstijl op de informatietevredenheid, levenskwaliteit, het functioneren en psychische ontreddering bij oncolologische patiënten en hun naasten. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Deze studie had tot doel de zorg voor de oncologische patiënten binnen ons ziekenhuis te optimaliseren. De literatuur toont aan dat de manier waarop informatie wordt verstrekt aan de patiënt en zijn/haar naasten bij het geven van psychosociale zorg een belangrijke rol speelt. Het bleek echter dat niet enkel communicatievaardigheden belangrijk zijn, maar dat ook persoonsgebonden factoren een rol spelen. In ons onderzoek spitsten wij ons hierop verder toe en gingen wij na of de copingstijl verband houdt met tevredenheid van communicatie, levenskwaliteit, het functioneren, vermoeidheid, angst en depressie. We vonden evidentie dat de cognitieve copingstijlen 'monitoring' en 'blunting' als twee onafhankelijke constructen dienen bekeken te worden waarbij 'monitoring' de neiging voor het zoeken van informatie voorstelt, terwijl 'blunting' de neiging het zoeken van afleiding representeert. De resultaten toonden aan dat patiënten met een hoge 'blunting' score, en die dus actiever op zoek gaan naar afleiding, minder angst- en depressieklachten aangeven en meer tevreden zijn met de communicatie. We vonden echter geen verbanden terug met levenskwaliteit, vermoeidheid en het functioneren. De score op 'monitoring' bleek met geen van de andere scores gerelateerd. Ook kwam naar voor dat hoe jonger de patiënt is, hoe meer monitoringgedrag gesteld wordt. De 'blunting' score hing niet af van de leeftijd van de patiënt. Bij de vergelijking van palliatieve met curatieve patiënten vonden we geen verschil in copingstijl of tevredenheid van communicatie terug. Wel zijn palliatieve patiënten meer vermoeid, functioneren zij minder op fysisch vlak en rol en scoren zij hoger op depressie, maar toch geven zij geen verschil aan in hun levenskwaliteit. Uit ons onderzoek kunnen wij besluiten dat een goede zorgverlening oog moet hebben voor de specifieke noden van elke patiënt en zijn naasten en dat we als psycholoog een belangrijke rol kunnen spelen in het inschatten van die noden.

lees scriptie

Leyssen Katrien (2007). Communicatie in de palliatieve fase, vanuit het systeemdenken. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007. 

Lievrouw An (2010). Emotionele expressie en welbevinden bij personen met kanker en hun partner. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Abstract: Longkanker is de meest voorkomende kanker in Europa en vormt de belangrijkste doodsoorzaak bij kankersterftes; in België zijn er jaarlijks meer dan 7000 nieuwe diagnoses. De ziekte gaat vaak gepaard met een slechte prognose en diverse lichamelijke en mentale klachten die kunnen leiden tot een verminderd welbevinden. Dit blijkt onrechtstreeks ook te kunnen gelden voor de partner van de patiënt.
Uit literatuur blijkt dat emotionele expressie (het kunnen herkennen, verwoorden en beschrijven van gevoelens enerzijds - het tegengestelde van alexithymie - , maar ook het behoefte hebben aan uiten van emoties) kan samenhangen met welbevinden van zowel patiënt als partner. In onze hedendaagse maatschappij, maar ook in het domein van de (onco-)psychologie en psychotherapie krijgt emotionele expressie vaak een centrale plaats.
 We legden aan 17 koppels (17 patiënten met longkanker en hun partner) een pakket vragenlijsten voor om te bepalen wat de mate van aanwezige alexithymie was, de mate van welbevinden (zowel lichamelijk, emotioneel, sociaal als functioneel) en de behoefte aan emotionele expressie. Aan de hand van twaalf specifieke onderzoeksvragen probeerden we de relaties in kaart te brengen tussen alexithymie, (afwezigheid van) behoefte aan emotionele expressie en welbevinden, voor zowel de patiënt als de partner.
 Doordat we over een kleine steekproef beschikken, blijken er weinig significante resultaten te zijn. Toch observeren we enkele interessante tendensen die aangeven dat emotionele expressie niet noodzakelijk leidt tot meer welbevinden; we dienen een meer complexe kijk te hanteren. Focussen op emotionele expressie blijkt niet voor ieder individu of voor ieder koppel faciliterend voor welbevinden.

lees scriptie

Maertens Eva (2010). Werkvormen op maat binnen een groepssetting. Nagaan van de effectiviteit van de implementatie van evidence based en practice based werkvormen en interventies  die differentiatiemogelijkheden bieden voor de individuele patiënt binnen een oncologisch revalidatieprogramma. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Maes Annelore (2012). Het detecteren van psychische distress bij longkankerpatiënten tijdens de verschillende fasen van het ziektetraject: een cross-sectionele pilootstudie. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Binnen het OLV Ziekenhuis loopt sinds 2009 een project omtrent psychosociale signalering bij kankerpatiënten. Binnen de huidige werking van het Oncologisch Psychosociaal Support Team is er momenteel geen systematische screening naar het voorkomen van psychische distress, wat mogelijk kan leiden tot onderdiagnostiek en onderbehandeling. Gezien de
gebruiksvriendelijkheid van de Lastmeter is geopteerd om deze vragenlijst aan te passen naar een screeninginstrument voor psychische distress, de Zorgmeter genaamd. Huidig onderzoek heeft zich toegespitst op longkankerpatiënten. Uit de literatuur blijkt dat longkankerpatiënten vaak een zware psychische belasting ervaren. Deze pilootstudie had het beschrijven van de
prevalentie van psychische distress bij longkankerpatiënten, alsook het evalueren van het gebruik van de Zorgmeter tot doel. Zesendertig longkankerpatiënten werden cross-sectioneel bevraagd. Aan de hand van de Zorgmeter werden patiënten gescreend op psychische distress. Patiënten met een verhoogde mate van psychische distress werden, indien gewenst,
doorverwezen naar de psycholoog. In overeenstemming met voorgaand onderzoek rapporteerden 15 patiënten (41.7%) klinisch verhoogde psychische distress. Zes patiënten (16.7%) werden doorverwezen naar de psycholoog, bij negen patiënten (25%) was reeds een begeleiding opgestart. Vijf patiënten (13.9%) weigerden een doorverwijzing. Het gebruik van de Zorgmeter werd positief geëvalueerd door zowel patiënten als zorgverleners. De screeningsprocedure vergde wel een aanzienlijke tijdsinvestering van de zorgverleners; en bepaalde screeningsmomenten werden moeilijker bevonden. Omwille van de beperkte steekproefgrootte dienen de resultaten met enige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd. De bevindingen worden in het licht van voorgaand onderzoek weergegeven. Mogelijke verklaringen voor de resultaten en implicaties voor de klinische praktijk worden besproken

geen toegang tot scriptie
voor meer info, neem contact op

Mels Saskia (2010). Verschillen in perceptie van emotionele en gedragsproblemen bij jongeren van ouders met kanker. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010. 

Abstract: Psycho-oncologie is een jonge discipline, waarbij de voorbije decennia het accent van psychosociaal onderzoek voornamelijk op de beleving van de patiënt lag. Onderzoek naar de impact van kanker van een ouder op het functioneren van kinderen staat echter nog in zijn kinderschoenen. Via ons bescheiden onderzoek willen we dit thema nader bekijken, en meer concreet, via de studie van emotionele en gedragsproblemen bij jongeren waarbij hun moeder recent (2 tot 16 maanden geleden) gediagnosticeerd werd met borstkanker en curatief werd behandeld. Het accent lag voornamelijk op het traceren van individuele verschillen tussen de jongeren in vergelijking met een gerandomiseerde populatienormgroep, evenals het in kaart brengen van gelijkenissen en verschillen tussen de verschillende informanten (moeder, vader, jongere en leerkracht).
Negentien gezinnen namen deel aan het onderzoek, met in totaal 28 jongeren als onderwerp van bevraging, allen tussen 6 en 18 jaar oud. In totaal werkten 79 informanten mee. We bereikten 19 moeders met borstkanker, 18 jongeren, 12 vaders en 13 pedagogische figuren. Het functioneren van de jongeren werd kwantitatief gemeten aan de hand van gestandaardiseerde en genormeerde vragenlijsten: de Child Behavior Checklist (ingevuld door patiënte en vader), de Youth Self Report (ingevuld door de jongere zelf) en de Teacher Report Form (ingevuld door de leerkracht).
Uit de resultaten van ons onderzoek blijkt dat deze jongeren meer kans hebben op het vertonen van internaliserende en externaliserende problemen in vergelijking met een populatienormgroep, zoals weergegeven via de rapportages van moeder en de jongere zelf. Verder stelden we vast dat zowel vaders en leerkrachten minder internaliserende problemen rapporteren, maar wel meer externaliserende problemen, beiden telkens in vergelijking met de rapportages volgens moeder en de jongere zelf. Jongeren zelf rapporteren schijnbaar meer problemen dan ouders. Het valt op dat moeders thuis meer psychopathologische problemen observeren bij hun kinderen, in tegenstelling tot de vaders en de observaties van de jongeren in de klas door de leerkracht. Tot slot, het meemaken van andere stressvolle gebeurtenissen brengt meer algehele psychopathologie teweeg bij deze jongeren.
Omwille van de beperkte steekproefgrootte dienen deze resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Toch is het duidelijk dat jongeren als reactie op de diagnose en de nabehandeling van de zieke ouder over het algemeen geen verhoogde emotionele en gedragsproblemen vertonen. De jongeren zelf daarentegen rapporteren wel meer problemen dan hun ouders, voornamelijk indien zij in het verleden andere stressvolle gezinsgerelateerde gebeurtenissen hebben meegemaakt.

lees scriptie

Muylle Valérie (2012). Het optimaliseren van het zorgmodel bij de oncologische patiënt in het AZ Glorieux te Ronse. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Door de positieve ontwikkelingen in het gezondheidssysteem kan kanker niet langer beschouwd worden als acute ziekte. De veranderingen naar permanente en langdurige condities bij kanker suggereren de nood aan een complexere zorgverlening. Communicatie tussen de zorgverleners onderling en de patiënt doorheen gans het zorgtraject zijn hierbij essentieel. Aan de hand van een beschrijvend onderzoek wensen we de huidige zorgverlening te evalueren vanuit het perspectief van de zorgverleners. We maken hierbij gebruik van een semi-gestructureerd interview. We wensen de tevredenheid, knelpunten en noden van de zorgverleners in kaart te brengen. Er worden 17 zorgverleners van het dagziekenhuis van het AZ Glorieux geïnterviewd, die onderverdeeld worden in drie subgroepen (artsen, verpleegkundigen en andere psychosociale zorgverleners). De response rate bedraagt 94%. Uit de resultaten blijkt dat alle zorgverleners beseffen dat er nood is aan continue zorgverlening doorheen de verschillende fases en willen werken aan de implementatie van een nieuw zorgmodel. Uit de rapportering van de zorgverleners blijken de subgroepen verschillende visies te hebben over de huidige zorgverlening en verschillende doelstellingen te hebben om te werken naar chronische zorgverlening. We kunnen besluiten dat dit verkennend onderzoek stof heeft opgeleverd voor verdere discussie omtrent communicatie in het zorgtraject van de patiënt. Dit om onze zorgverlening te optimaliseren en te streven naar de beste kwalitatieve zorg voor onze patiënten.

lees scriptie

Neyens Leen (2012). Informatiebehoefte, angst & depressie, levenskwaliteit en coping bij patiënten met hoofd- en halskanker: is er een verband met roken en/of alcoholmisbruik?. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Hoofd- en halskanker is - alleen al door de lokalisatie - erg ingrijpend. Roken en alcoholmisbruik zijn belangrijke risicofactoren in het ontstaan van de ziekte. Het omgaan met middelenmisbruik is een bijkomende moeilijkheid in het werken met deze patiëntengroep. In de klinische praktijk ervaren we - vooral bij patiënten met actueel alcoholmisbruik - een dubbelheid: enerzijds doet de psychosociale situatie op zich een appèl op de hulpverleners, anderzijds leeft de indruk dat deze patiënten op psychosociaal vlak weinig toegankelijk zijn. Het uiteindelijke doel is het uitbouwen van aangepaste psychosociale hulpverlening voor patiënten met hoofd- en halskanker. Huidig onderzoek heeft tot doel zicht te krijgen op de specifieke noden van deze patiënten en op hun psychisch functioneren, waarbij onze specifieke interesse uitgaat naar de relatie met middelenmisbruik. Aan de hand van vragenlijstonderzoek bevragen we informatiebehoefte, angst & depressie, levenskwaliteit en coping. We hebben telkens 3 subgroepen: niet-drinkers, actuele drinkers & voormalige drinkers enerzijds; en niet-rokers, actuele rokers & voormalige rokers anderzijds.
Uit de resultaten blijkt dat actuele drinkers de laagste informatiebehoefte hebben. Actuele rokers vertonen minder palliatieve coping dan niet-rokers. Een belangrijke onverwachte bevinding is dat de voormalige drinkers de grootste informatiebehoefte hebben, de hoogste depressiescores en de laagste levenskwaliteit. De combinatie van de risicofactoren roken en alcoholmisbruik doen ons 3 probleemgroepen onderscheiden: 1. Actuele rokers die drinken: zij hebben een lage informatiebehoefte, rapporteren een beter emotioneel functioneren en vertonen een neiging tot vermijding; 2. Voormalige drinkers die roken: zij rapporteren een slechter emotioneel functioneren en hebben de grootste informatiebehoefte; 3. Actuele drinkers die vroeger rookten: zij rapporteren een slechter emotioneel functioneren. Verder onderzoek is aangewezen vooraleer praktische implicaties gesteld kunnen worden.

lees scriptie

Peene Stéphanie (2012). De impact van hoofd- en halstumoren en hun behandeling op de kwaliteit van leven, de psychologische 'distress' en het lichaamsbeeld van de patiënt. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: De incidentie van hoofd- en halstumoren in België is een van de hoogste in Europa. Ten gevolge van de ernst en zichtbaarheid van de ziekte en de soms ingrijpende aard van de behandelingen worden hoofd- en halstumoren in de literatuur als een van de meest traumatische kankers beschreven. Zowel in de klinische praktijk als op wetenschappelijkniveau  lijkt er consensus te bestaan rond het belang van het lichaamsbeeld, de levenskwaliteit en de ervaren psychologische 'distress' binnen de hoofd- en halspopulatie. Het is echter minder duidelijk hoe deze variabelen zich tot elkaar verhouden. In dit longitudinaal onderzoek werden bij 21 patiënten met uiteenlopende diagnoses van hoofd- en halstumoren vragenlijsten afgenomen (voor therapie en 1 maand na einde therapie) die peilen naar de kwaliteit van leven (QLQ-C30 en QLQ-H&N35), het lichaamsbeeld (Body Image Scale) en de ervaren psychologische distress (HADS). Aan de hand van correlationeel onderzoek en multipele regressie probeerden we een beter zicht te krijgen op de impact van deze tumoren en hun behandeling op de ervaren kwaliteit van leven bij de patiënt, de ervaren zorgen rond lichaamsbeeld en psychologische distress. We gingen ook de bijdrage na van de psychologische distress en het lichaamsbeeld op het verklaren van de variantie in levenskwaliteit. De diagnose en de behandeling van hoofd- en halstumoren had een belangrijke impact op het lichaamsbeeld. Het lichaamsbeeld bleek de belangrijkste predictor te zijn voor de ervaren levenskwaliteit. Daarnaast vonden we ook een sterke samenhang tussen depressieve symptomatologie enerzijds en levenskwaliteit en lichaamsbeeld anderzijds. De resultaten moeten echter met grote voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, gezien de kleine steekproef.<

lees scriptie

Piers Jan (2012). Een exploratieve studie naar de implementatie van cognitieve gedragstherapie voor insomnie bij kankerpatiënten en de effecten hiervan op slaap, vermoeidheid en levenskwaliteit. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Doel: Op basis van deze exploratieve studie wordt verkend of een structureel groepsaanbod CGT-i kan worden geïmplementeerd op de dienst oncologie in AZ Nikolaas. Achtergrond: Slaapstoornissen waaronder slapeloosheid (insomnie) vormen een frequent probleem onder kankerpatiënten. Schattingen naar prevalentie geven aan dat 30 tot 50% van nieuw gediagnosticeerde of recent behandelde kankerpatiënten, slaapproblemen rapporteren, waarvan er 19 tot 30% beantwoorden aan de diagnostische criteria voor chronische insomnie. Nochtans blijven deze klachten te weinig gedetecteerd en behandeld. Een mogelijke reden hiervoor is dat insomnie gezien wordt als een normale en tijdelijke reactie op de diagnose kanker of de behandeling ervan, zowel door de arts als door de patiënt. Recent werden studies uitgevoerd die de effectiviteit van CGT-i bij kankerpatiënten aantonen. Deze resultaten in combinatie met de sterke wetenschappelijk onderbouwing van deze begeleiding voor insomnie klachten, maakt dat deze behandeling de 'treatment of choice' is, naast een medicamenteuze behandeling voor insomnie bij kankerpatiënten. Insomnie heeft een significante negatieve impact op de kwaliteit van leven van kankerpatiënten. Dit effect duurt tot lang na het einde van de behandeling. Uit studies blijkt dat CGT-i voor kankerpatiënten een positieve invloed heeft op kwaliteit van leven, kankergerelateerde vermoeidheid en stemming. Ondanks al deze voordelen is het (gesubsidieerd) aanbod CGT-i, specifiek voor kankerpatiënten, nog beperkt in Vlaanderen. Om deze lacune te helpen opvullen, werd een gratis proefproject CGT-i voor kankerpatiënten gestart in AZ Nikolaas. Op basis hiervan werd een exploratieve studie gedaan naar de implementatie van cognitieve gedragstherapie voor insomnie (CGT-i) bij kankerpatiënten op de dienst oncologie in AZ Nikolaas, en de effecten hiervan op slaap, vermoeidheid en kwaliteit van leven. Methode: Deze exploratieve studie werd gedaan op basis van een gevalsstudie. Er zijn voor-, na- en follow-up metingen van slaap, vermoeidheid en levenskwaliteit  uitgevoerd op basis van een aantal metingen. Het onderzoeksopzet is een single case experiment met een pre- en posttreatment AB opzet. Instrumenten: Baseline metingen:
Interviewschema voor Insomnie, Athens Insomnia Scale (AIS), Dysfunctional Beliefs and Attitudes about Sleep Questionnaire (DBAS), Epworth Sleepiness Scale (ESS), , Pittsburgh Sleep Quality Index (PSQI), Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS), de European Organisation for Research and Treatment of Cancer Quality of Life Questionnaire Core 30 version 3 (EORTC QLQ C-30), Slaapdagboek van Verbeek. Tijdens de training: Slaapdagboek van Verbeek. Nametingen: Post-treatment en na 1 en 3 maand follow-up: Pittsburgh Sleep Quality Index (PSQI), Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS), de Dutch version van EORTC QLQ C-30 version 3 , Slaapdagboek van Verbeek. Het gehanteerde CGT-I programma is grotendeels overgenomen van Morin (1993) met een aantal aanpassingen aan de huidige problematiek. De patiënt werd gevraagd  om gedurende de volledige training een slaapdagboek bij te houden. De voornaamste componenten van dit programma zijn psycho-educatie over slaap en slaapproblemen, gedragsmatige interventies zoals slaaprestrictie en stimulus controle, alsook cognitieve training en herstructurering. Resultaten: In deze single case van cognitieve gedragstherapie voor insomnie, scoort de patiënt na behandeling binnen de normscores van gezonde slapers voor slaapefficiëntie, slaaplatentie en waak na slaap, alsook voor angst en slaapkwaliteit. CGT-i heeft een positief effect in de single case in absolute waarden op levenskwaliteit en vermoeidheid.

lees scriptie

Raes Anneleen (2012). Effectmeting van een training voor hulpverleners omtrent communicatie over seksualiteit bij kankerpatiënten. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Inleiding: Uit onderzoek blijkt dat kanker (en de behandeling) ernstige gevolgen kan hebben op vlak van seksualiteit. Echter, het bespreekbaar maken van seksualiteit is zowel voor patiënten als hulpverleners niet vanzelfsprekend. Hulpverleners ervaren verschillende barrières om dit thema ter sprake ter brengen; één daarvan is een gebrek aan opleiding en vorming hieromtrent. De werkgroep 'Kanker en seksualiteit' van het UZ Gent heeft, om aan deze barrière tegemoet te komen, de training 'Kanker en seksualiteit, wij praten erover!' georganiseerd. Dit eindwerk heeft als doel om de effectiviteit van deze training na te gaan. Methode: De huidige studie bevat een kwantitatief en een kwalitatief onderzoeksluik. In het kwantitatieve luik worden kennis, vaardigheden en attitudes nagegaan vóór, onmiddellijk na en 3 maanden na het volgen van de training. Een aangepaste versie van de Nederlandstalige versie van de
Knowledge, Comfort, Approach and Attitude towards Sexuality Scale (KCAASS) werd bij 9 hulpverleners afgenomen op de 3 tijdstippen. Het kwalitatieve luik wil, via 2 focusgroepen, dieper ingaan op de impact van de training op het
spreken over seksualiteit in de dagelijkse praktijk. Resultaten: De hulpverleners vertoonden een significante stijging op de 'kennis' en 'comfort' schaal van de KCAASS. Verder geven alle hulpverleners, via de focusgroepen, aan dat de training hen
gesensibiliseerd heeft omtrent dit thema. De meerderheid gaat ook effectief aan de slag met het geleerde. Conclusie: De resultaten van de studie pleiten voor het verder aanbieden van de training voor hulpverleners omtrent communicatie over seksualiteit bij kankerpatiënten.

lees scriptie

Robijn Elke (2012). De vele facetten van ontkenning bij een vrouw met borstkanker. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking

Seeuws Eline (2012). Zelfzorg bij hulpverleners in de oncologie: een oncologisch support team onder de loop. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012

geen toegang tot scriptie voor derden

Schynkel Michel (2010). Acceptance and Commitment Therapy en psycho-oncologie: een gedroomd huwelijk? Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking.

Sulas Annick (2010). Uit de lucht gegrepen? Een casus rond focussen en het fenomeen 'intuitie'. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking. 

Van De Moortele Naomi (2010). To be or not to be... Angst om te sterven of angst om te leven? Een beschrijving van een begeleiding van een dwangneurotische patiënt. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking.

Vandenabeele Karen (2012). Sociaal-emotioneel functioneren van kinderen na een intensieve kankerbehandeling. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: De overlevingskansen van kinderen met kanker zijn in de loop der jaren sterk gestegen. De globale 5-jaarsoverleving in België (0-19 jaar) is 84% voor jongens en 87% voor meisjes. De kwaliteit van hun leven na de behandeling krijgt dan ook steeds meer aandacht. Dit kleinschalig onderzoek spitst zich toe op het sociaal-emotioneel functioneren van kinderen die een kankerbehandeling doorgemaakt hebben. Negen patiënten (8-18 jaar) die na hun kankerbehandeling minimum drie en maximum twaalf maanden terug naar school gingen, namen deel. Gestandaardiseerde vragenlijsten werden afgenomen van het kind zelf, de moeder en de leerkracht. Het betreft de ASEBA-lijsten van Achenbach (Child Behavior Checklist, Youth Self-Report en Teacher's Report Form) en de Competentiebelevingsschaal voor Kinderen of de Competentiebelevingsschaal voor Adolescenten. De verkregen scores werden vergeleken met deze van de populatienormgroep. Hieruit beek dat kinderen na een intensieve kankerbehandeling niet meer sociaal-emotionele problemen hebben dan hun gezonde leeftijdsgenoten. Ook de manier waarop ze naar zichzelf keken en de manier waarop ze hun competenties op sociaal en gedragsmatig vlak beoordeelden, weken niet significant af van hun leeftijdsgenoten. Er werd geen significant verband gevonden tussen de duur van afwezigheid op school (door ziekte en behandeling) en de mate waarin sociaal-emotionele problemen gesignaleerd werden.
Deze resultaten passen binnen de groeiende visie dat kinderen die kanker doorgemaakt hebben over de nodige veerkracht of weerbaarheid beschikken.

lees scriptie

Vanderstappen Tania (2010). Balanceren op de slappe koord van hoop binnen de dynamiek van een patiënt- en hulpverlenersperspectief. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

geen toegang tot scriptie voor derden, casusbespreking 

Van de Velde Vicky (2010). Onderzoek naar de perceptie van de zorgverleners op de werking van het support team van het UZ Brussel. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010. 

Abstract: Het support team van het UZ Brussel is een combinatie van een palliatief team en een psychosociaal support team. Het staat in voor het bevorderen van de levenskwaliteit van patiënten met een ernstige, potentieel levensbedreigende aandoening door aandacht te hebben voor integrale zorg.
Aan de hand van beschrijvend onderzoek wensen we de werking van dit team te evalueren vanuit het perspectief van de zorgverleners. We maken hierbij gebruik van een 'Vragenlijst naar de werking van het support team van het UZ Brussel'.
We wensen de knelpunten en noden bij het inschakelen van het support team in kaart te brengen. We vragen ons af in welke mate volgens de zorgverleners de supportieve zorg opgenomen wordt door de eigen dienst en in welke mate het support team ingeschakeld wordt.
Er worden 701 zorgverleners bevraagd. De response rate bedraagt 48%. Er worden (sociaal-, hoofd,-)verpleegkundigen, geneesheren (in opleiding) en andere zorgverleners bevraagd. De diensten die participeren zijn: de dagkliniek oncologie, de steriele eenheid, de verpleegeenheid hemato-oncologie, de dienst radiotherapie en de andere verpleegeenheden. Uit de resultaten blijkt dat het support team voldoende bekend, bereikbaar en beschikbaar is, maar zelden tijdig ingeschakeld wordt. Uit de rapportering van de zorgverleners komt naar voor dat de supportieve zorg meestal opgenomen wordt door de eigen dienst. De diensten die dagelijks ernstige, potentieel levensbedreigende aandoeningen behandelen, schakelen hierbij het support team vaker in ter ondersteuning. We kunnen besluiten dat er nood is aan verduidelijking en profilering van de functies en de zorgverleners van het support team op ziekenhuisniveau. Dit om de werking van het support team te optimaliseren en een nog betere zorg aan te bieden.

lees scriptie

Van Doorslaer Nele (2007). Werkstress bij psychologen in de psychosociale oncologie. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007.

Abstract : het onderzoek dat hier voorgesteld wordt is een exploratie naar de werkstress van de oncopsychologen, een vrij nieuwe beroepsgroep binnen de gezondheidspsychologie.
56 psychologen, werkzaam binnen oncologische settings, werkten mee aan het onderzoek. Zij werden allen gevraagd de Job Stress Survey in te vullen, alsook een algemene stressvragenlijst (Perceived Stress Scale) en een vragenlijst naar levenssatisfactie (de Satisfaction With Life Scale). Deze scores werden samen met gegevens als leeftijd, gezinssituatie, jaren ervaring, opleiding, werkregime en werkinvulling geanalyseerd. Hieruit blijkt dat deze psychologen als groep een gemiddelde tot hooggemiddeld werkstressniveau halen. Er worden ook significante correlaties gevonden tussen werkdruk enerzijds en niveau van opleiding en ervaring anderszijds, alsook tussen de werksstressschalen en de scores van algemene stress en levenssatisfactie.

lees scriptie

Vanleene Nele (2010). De zorg voor spirituele noden van mensen met kanker. Een kwalitatief onderzoek bij zorgverleners. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Abstract: Uit de praktijkervaring en uit onderzoeken blijkt dat spiritualiteit een belangrijke dimensie is in de beleving van mensen met kanker. De literatuurstudie toont daarnaast de nood aan onderzoek over de feitelijke zorg voor spirituele noden van mensen met kanker. Het doel van dit onderzoek is inzicht krijgen in de opvattingen, attitudes en gedragingen van zorgverleners inzake spirituele zorg. Het onderzoek focust enerzijds op de vraag of er in het zorgaanbod van een multidisciplinair oncologisch team ruimte is voor het spirituele en anderzijds op de vraag hoe de zorg voor de spirituele dimensie concreet invulling krijgt. Om de onderzoeksvraag te beantwoorden werd een kwalitatief onderzoek uitgevoerd. Er vonden vier focusgroepen plaats waaraan in totaal dertig deelnemers uit negen ziekenhuizen deelnamen. De deelnemers waren verpleegkundigen, psychologen, moreel consulenten, sociaal werkers en pastores werkzaam in een oncologische setting. De onderzoeksdata geven weer hoe spiritualiteit zich volgens de verschillende zorgverleners manifesteert in een ziekteproces. De data tonen hoe deze zorgverleners concreet omgaan met de gedetecteerde spirituele noden en verlangens. In die zorg zijn verschillende gradaties te onderkennen. Het onderzoek bracht motieven naar boven voor het al of niet opnemen van zorg voor de spirituele dimensie. Belemmeringen en bevorderende factoren werden geformuleerd. Deze situeren zich op verschillende domeinen; maatschappelijk, afdelingsgebonden, persoonsgebonden of patiëntgerelateerd. In
zorgteams wordt weinig gedeeld over de concrete omgang met spirituele noden. Er is geen systematische aandacht voor binnen het team en er wordt ook geen methodiek gehanteerd. De concrete zorg hangt af van persoonlijke intuïtie of interesse en is voornamelijk gericht op expliciete noden. Een van de valkuilen is een eenzijdige interventiegerichte benadering die spirituele noden reduceert tot op te lossen problemen. Elke zorgdiscipline herkent vanuit het eigen
professioneel kader spirituele noden. Het belang van de zorg voor deze noden wordt door alle beroepsgroepen erkend. De bijdrage die men kan leveren aan spirituele zorg verschilt tussen de beroepsgroepen alsook tussen de individuele personen. Het is voor de verschillende zorgdisciplines belangrijk spirituele noden te kunnen onderscheiden aangezien deze noden een specifieke zorg vragen. Hiertoe ontbreekt het zorgverleners vooral aan praktijkgerichte vorming, maar ook kennis over de impact van spiritualiteit op het welbevinden van de patiënt. Naast vorming is het ondersteunen en bevestigen van de zorgverleners belangrijk. Het lenigen van spirituele noden in alle fasen van het ziekteproces vraagt tot slot een betere structurele inbedding van deze zorg doorheen systematisch overleg en ruimte in de teams om te leren van elkaars ervaringen.

lees scriptie

Van Veirdeghem Ann (2007). Een pilootstudie voor een psycho-oncologisch zorgprogramma van het Sint-Vincentiusziekenhuis te Deinze. Scriptie psycho-oncologie, VUB, 2007. 

Abstract: er werd een kwantitatief onderzoek verricht naar de verwachtingen rond psycho-oncologische zorg bij artsen en verpleegkundigen. Het opzet van de studie is het verkrijgen van een basis voor het uitwerken van een psychosociaal basiszorgprogramma die een psychologisch zorgpad zal bevatten. Er werd een vragenlijst ontwikkeld voor verpleegkundigen en artsen. Op deze manier wordt de taak van de psycholoog geconcretiseerd en kan de multidisciplinaire samenwerking worden bevorderd.
De vragenlijst omvat 18 multiple choice vragen die we bespreken aan de hand van 4 peilers: de zichtbaarheid en bekendheid van de psychologe, de communicatie met de psychologe, de zorgcultuur in de instelling en tenslotte de mogelijkheden tot sensibilisatie. Deze vier peilers worden aan drie zorgvragen gekoppeld: toegang tot zorg, deelname aan zorg en verspreiden van zorg.

geen toegang tot scriptie.

Veracx Hannelore (2012). De verwachtingen over bespreekbaarheid van het thema seksualiteit/ intimiteit bij deelnemers van het oncologisch revalidatie programma in AZ Groeninge. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Door het verbeteren van de behandeling tegen kanker, komt er meer behoefte om te kijken naar de levenskwaliteit van patiënten na de behandeling. Seksualiteit en intimiteit zijn belangrijke aspecten van levenskwaliteit die door kanker en de behandeling ervan in het gedrang komen. Communicatie over deze thema's met kankerpatiënten is een aandachtspunt dat nog te weinig concreet is uitgewerkt. Met deze studie willen we een antwoord krijgen op volgende vragen: Welke ervaringen en verwachtingen hebben patiënten die deelnemen aan het oncologisch revalidatieprogramma van AZ Groeninge over het bespreken van seksualiteit/intimiteit met betrekking tot hun ziekteperiode? Welke invloed heeft het krijgen van een nieuw uitgewerkte sessie over seksualiteit/intimiteit binnen het oncologisch revalidatieprogramma van AZ Groeninge op de verwachtingen van de patiënt over de bespreekbaarheid van het thema? We werkten een sessie uit over het thema seksualiteit/intimiteit en integreerden deze in het huidig oncologisch revalidatieprogramma van AZ Groeninge. We werkten aan de hand van een pré- en post-sessie vragenlijst een kwalitatieve bevraging uit die peilt naar de verwachtingen van de patiënt over de bespreekbaarheid van seksualiteit/intimiteit en gaan na op welke manier deze worden beïnvloed door de integratie van de sessie binnen het onco-reva programma in AZ Groeninge. De resultaten tonen dat er in AZ Groeninge onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan de behoeften en verwachtingen van de patiënten. Een aantal richtlijnen kunnen worden uitgewerkt. Uit de vragenlijsten wordt eerder beperkte evidentie gevonden voor de hypothese dat het krijgen van de sessie wijzigingen zou teweeg brengen in de verwachtingen van de patiënt over bespreekbaarheid van de thema's.

lees scriptie

Verhaegen Ellen (2010). Monte Perdido: van kanker naar kracht. Een haalbaarheidsstudie naar impact van een ervaringsgerichte expeditie. Scriptie psycho-oncologie, UGent, 2010.

Visman Marjan (2012). Het verbeteren van de ontvangst van oncologische patiënten op de urgentiedienst. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Doelstelling : Het verbeteren van de ontvangst van oncologische patiënten op de urgentiedienst, n.a.v. een peiling
van hun behoeften en verwachtingen. Hiervoor wordt een korte vragenlijst gehanteerd, die eventueel dienst kan doen, zo gewenst, als een soort " feuille de liaison ", die de patiënt volgt in zijn hospitalisatie. Dit met als ondersteuning een vragenlijst bestaande uit zeven vragen, die aan de patiënt voorgelegd zal worden, na zijn medewerking gevraagd en gekregen te hebben. De patiënt zal dan ook een formulier een " informed consent " moeten doornemen en tekenen om
zijn akkoord te geven. Na toestemming van de ethische commissie te hebben verkregen, ben ik over gegaan tot het
ondervragen van de patiënten, met hun toestemming natuurlijk, en schriftelijk met hun handtekening bevestigd op het 'informed consent' formulier. Ik heb dertig patiënten ondervraagd met een bekende of de novo oncologische aandoening tijdens een verblijf op de urgentiedienst, zonder uitsluitingsfactoren te hanteren, en tweeëntwintig patiënten op de dag-eenheid van oncologie, waar de patiënten komen voor een consult bij de oncoloog en meestal ook hun chemotherapie krijgen.
Deze laatsten werden natuurlijk alleen ondervraagd over hun al dan niet recent verblijf op de urgentiedienst. De antwoorden op de gestelde vragen werden genoteerd op het formulier " vragenlijst over de communicatie op de urgentiedienst ". Na de inzameling van alle antwoorden op de zeven gestelde vragen, heb ik een selectie gemaakt van de meest voorkomende.
Daarna werden al deze gegevens weergegeven in een excel tafel. Daarna is er een statistische dynamische kruistafel opgesteld, van elke gestelde vraag, met zijn antwoorden, verticaal, en horizontaal de verschillende leeftijdsklassen van de mannen en de vrouwen, met bewuste weglating van de leeftijdsklassen L1 en L2 bij de mannen, aangezien deze eigenlijk niet vertegenwoordigd waren. En vervolgens is er overgegaan tot verwerking van alle gegevens en de conclusie.

lees scriptie

Vosté Faran (2012). Patiënt-centered werken binnen een palliatieve setting. Scriptie psycho-oncologie, KULeuven, 2012.

Abstract: Het doel van deze studie is om na te gaan of een nieuwe vorm van opvolging van onze palliatief oncologische patiënten, namelijk patiënt centered werken, kan toegepast worden in ons zorgsysteem en een meerwaarde kan brengen zowel voor de patiënt als het verpleegkundig team. Deze meerwaarde bevindt zich voor het team in het hanteren en opvolgen van meetinstrumenten die gericht naar de beleving van hun patiënt werken. Wat een beter inzicht geeft in de functionaliteit van de gebruikte behandelstrategieën. De meerwaarde ligt voor de patiënt vooral in het feit dat zij actief worden betrokken in hun ziekteproces waardoor zij zich minder aan het lot van de artsen en het team voelen overgelaten en minder een gevoel van hulpeloosheid krijgen. Bovendien wordt de communicatie tussen de verschillende spelers op deze manier erg gefaciliteerd. Daarnaast wordt ook de plaats van angst en depressie binnen het palliatieve proces meer in kaart gebracht. Er wordt hiervoor gebruik gemaakt van een steekproef van volwassen mensen (N=10) die op dat ogenblik in ons ziekenhuis (AZ Sint Jan Campus Oostende) verbleven en met een palliatief oncologische problematiek waren gediagnosticeerd. Het onderzoek werd voor het implementatie luik opgesteld vanuit een kwalitatief perspectief en voor het plaatsen van angst en depressie binnen het palliatief proces vanuit een kwantitatief design. Er wordt gebruik gemaakt van twee vragenlijsten namelijk de ESAS en de HADS. De afnames van de vragenlijsten worden altijd gecombineerd met een semi gestructureerde diepte interviews met de patiënt en de projectmedewerkers. Uit de interviews met de verpleegkundigen, kwam naar voor dat zij al een heel stuk meer houvast vonden in het werken en communiceren met de patiënt. Vanuit de patiënt werd gesteld dat zij zich meer gehoord voelden en meer controle kregen over hun situatie. Voor het algemeen beleid werd duidelijk dat wij nog steeds een pijnpunt interne communicatie hebben en dat ook verpleegkundigen moeten durven denken.

lees scriptie